| Op
Weg! Heer Oger, landheer van
Malgonia, was ernstig ziek.
Hij lag doodsbleek op zijn bed, met bezweet voorhoofd.
Naast het bed stonden twee doktoren, maar die konden ook niets
voor Heer Oger doen. Ze hadden natuurlijk wel van alles
geprobeerd.
Pillen en zalfjes, drankjes en bloedzuigers. Zelfs hete en koude
baden hadden ze voorgeschreven. Toch was Heer Oger steeds zieker
geworden.
De twee doktoren keken elkaar droevig aan.
"Het is de ouderdom, Heer Oger," zei de een zacht. "Ik ben bang
dat u uw tijd gehad heeft!" De andere dokter knikte vol
medelijden.
"Ben je gek!" zei Heer Oger zacht. "Ik ben nog lang niet oud!
Jullie kennen je vak niet!" Hij zuchtte.
Een van de doktoren schudde het kussen op.
"Er moet toch iets zijn dat mij beter kan maken?"
De doktoren haalden hun schouders op.
Toen nam Heer Oger een besluit. Hij kwam half overeind en strekte
zijn hand uit.
"Lakei!" Riep hij, "ga mijn zoon halen! Haal mijn zoon Richard en
zeg dat hij meteen komt! Vooruit! Opschieten!"
Heer Oger zakte weer terug in het kussen.
De lakei, die bij de deur stond, rende weg.
Na een paar minuten stond Richard aan het voeteneind.
Hij keek een beetje angstig naar zijn vader. Maar die stelde hem
gerust.
"Het is waar jongen, dat ik flink ziek ben. Maar ik heb nog geen
zin om dood te gaan! En daar moet jij iets aan gaan doen!"
"Ik vader?" vroeg Richard.
"Maar ik ben geen dokter!"
"Dat weet ik," zei Heer Oger, "maar je bent jong. Je bent een
dappere, jonge ridder geworden. Je hebt een heleboel geleerd. Je
kunt goed paardrijden en met het zwaard omgaan. Schieten met pijl
en boog gaat ook prima. Je kunt voor mij dus het land intrekken.
Jij zult voor mij het middel vinden dat mij beter maakt!"
Richard keek zijn vader verbaasd aan. "Denkt u dan dat ik dat
kan?" vroeg hij. "En wat is dat dan voor middel en waar vind ik
het?"
Keer Oger kuchte. "Ik ken dat middel ook niet," zei hij. "Maar
iemand in dit land moet het toch hebben? Een hele knappe dokter of
zo. Of desnoods een tovenaar. Het kan me niet schelden waar je het
vandaan haalt, als je het maar naar mij brengt!"
"Maar het grote toernooi dan vader?" vroeg Richard.
"U weet toch dat het volgende week gehouden wordt? U wilde toch
dat ik daar ook aan meedeed?"
"Dat toernooi kan wel wachten," zei Heer Oger. "Eerst moet ik weer
beter worden."
Richard knikte en keek de twee doktoren aan.
"Nou," zei hij, "dan moet het maar. Ik zal wel gaan. Al heb ik er
geen flauw idee van waar ik moet zoeken. Misschien heeft u een
idee?"
"Ergens in het zuiden schijnt een put te zijn," zei een dokter.
"Ze noemen die de put van Avalach. Men zegt dat het water uit die
put gezond maakt. Misschien is dat iets voor uw vader?"
Richard knikte.
"Een goed idee," zei hij. "Laat ik dat eerst maar proberen."
Hij draaide zich om en liep de slaapkamer uit.
Ridder Richard liet er geen gras over groeien.
Hij liet zijn paard zadelen door een bediende, kuste zijn moeder
en steeg in het zadel. Hoog en trots zat hij op zijn paard. In een
harnas van zilver, een lans in zijn hand. En aan het zadel hing
zijn schild. De poortwachters lieten de valbrug zakken. Van de
transen klonken de bazuinen. En langzaam reed ridder Richard naar
de poort.
Nog eenmaal keek hij om, stak zijn hand op als groet. Toen reed
hij het kasteel uit. Op zoek naar het water, dat zijn vader weer
gezond zou maken. |